Hondenziekte, wordt ook wel Canine Distemper of ziekte van Carré genoemd, is een infectie die hersenvliesontstekingen bij de hond kan veroorzaken en de ziekte tast het zenuwstelsel van puppy’s en honden aan. Het is een zeer besmettelijke ziekte.

hondenziekte (distemper) gevaren, risico, symptomen, bijwerkingen en gevolgen bij honden

De ziekte besmet honden en bepaalde soorten dieren in het wild, zoals wasberen, wolven, vossen en stinkdieren. Het virus wordt meestal verspreid door

  1. blootstelling aan open lucht (door niezen of hoesten);
  2. direct contact tussen honden;
  3. via kleding, hondenspeeltjes en andere accessoires;
  4. uit dezelfde bak eten of drinken.

Wat zijn de symptomen van hondenziekte (distemper)?

In eerste instantie zullen geïnfecteerde honden de volgende symptomen laten zien bij hondenziekte (distemper):

  • Koorts, loopneus, vieze ogen hoesten, benauwd, longontsteking
  • Maag- en darmenproblemen; overgeven en diarree (mogelijk met wat bloed)

Naarmate het virus het zenuwstelsel van de hond aantast, ontwikkelen geïnfecteerde honden klachten als

  • Kopkanteling;
  • Spiertrekkingen
  • Stuiptrekkingen
  • Gedeeltelijke of volledige verlamming.
  • Het virus kan er ook voor zorgen dat de voetzolen dikker en harder worden.

Het virus is ook aanwezig in ontlasting en urine. Dieren kunnen tot 4 maanden na besmetting het virus uitscheiden. In het wild lijkt besmetting met hondenziekte sterk op hondsdolheid.

Hondenziekte is vaak dodelijk en honden die het virus overleven, hebben meestal permanente, onherstelbare schade aan het zenuwstelsel.

Welke honden lopen het meeste risico?

Alle honden die niet zijn gevaccineerd tegen hondenziekte lopen risico, maar puppies jonger dan vier maanden oud lopen een verhoogd risico om de ziekte te krijgen. Daarom is het belangrijk om honden tegen de hondenziekte te vaccineren om de hond te beschermen.

Hondenziekte voorkomen (bescherm je hond tegen de ernstige gevolgen van hondenziekte)

Pups zijn via antilichamen in de moedermelk beschermd tegen hondenziekte. Als de moederhond niet tegen de hondenziekte is geënt – de ziekte nooit in haar leven heeft gehad – hebben de pups geen antilichamen.

Zodra de moedermelk is uitgewerkt – dit varieert tussen een paar weken en zelfs tot 4 a 5 maanden – kan de pup zelf weerstand opbouwen tegen de hondenziekte.

Doordat de pup antistoffen van de moeder mee krijgt door middel van de moedermelk werkt het vaccin tegen hondenziekte meestal niet – totdat de antistoffen uit het lichaam zijn. Als de antistoffen uit het lichaam van de pup zijn (dit kun je meten door middel van een titerbepaling) is het verstandig om de pup te laten vaccineren tegen deze ziekte.

Het vaccin tegen hondenziekte werkt binnen enkele uren. Na enkele dagen is er volledige bescherming.

Uit onderzoek blijkt dat vaccinatie bij honden tegen de hondenziekte erg effectief is.

Hondenziekte, hoe vaak vaccineren?

Veel hondeneigenaren (en dierenartsen) zijn van mening dat er meer dan één vaccin nodig is om een puppie te beschermen tegen hondenziekte.

Dit is in de meeste gevallen niet waar. Er is maar één vaccin nodig om bescherming te bieden tegen de ziekte, als het op het juiste moment wordt gegeven (bij juist gebruik titerbepaling).

Puppies die eenmaal op de juiste leeftijd zijn getiterd en vervolgens gevaccineerd voor hondenziekte. Pups met een hoge titer na vaccinatie, hebben vrijwel 100% kans om beschermd te worden.

Deze bescherming is waarschijnlijk voor het leven (om dit zeker te weten kun je dit eens in de zoveel tijd meten in overleg met de dierenarts).